Het recht op een Ziektewetuitkering kan o.a. beëindigd worden als iemand weer geschikt is voor ‘zijn arbeid’, maar bijvoorbeeld ook als iemand na de Eerstejaarsziektewetbeoordeling met arbeid meer dan 65% van zijn oorspronkelijke inkomen kan verdienen (artikel 19aa Ziektewet).
Aan de intrekking van een Ziektewetuitkering door het UWV worden wel motiveringseisen gesteld. Zo tikte de bestuursrechter van de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2025:3706) het UWV op de vingers in een zaak waarin op basis van een ondeugdelijk onderzoek de Ziektewetuitkering van iemand met psychische klachten was ingetrokken.
Het UWV heeft in deze zaak de Ziektewetuitkering ingetrokken, omdat volgens de verzekeringsarts van het UWV niet is gebleken dat de medische situatie op de datum van ziekmelding wezenlijk anders was dan bij de eerdere hersteldverklaringen in het kader van een eerder recht op Ziektewet. De enkele verwijzing van de verzekerde naar “Dimence” is daarvoor onvoldoende aldus het UWV. Ook vindt de verzekeringsarts het relevant dat de verzekerde tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat hij zich met dezelfde klachten ziek meldde als voorheen (waar hij toen wel mee kon werken).
Uit de medische stukken blijkt volgens het UWV niet dat een psychotische stoornis is gediagnosticeerd of dat daar gericht onderzoek naar is verricht. De verzekerde gebruikte geen antipsychotica én er vond geen behandeling voor de psychische klachten plaats. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de klachten geplaatst binnen de reeds vastgestelde gedrags- dan wel persoonlijkheidsstoornis en geconcludeerd dat geen sprake is van aanvullende beperkingen (en dus geen recht bestaat op een Ziektewetuitkering).
De rechtbank vindt deze motivering van de verzekeringsarts ontoereikend. In ieder geval meent de rechter dat het enkel verwijzen naar eerdere medische beoordelingen (op basis waarvan indertijd sprake zou zijn geweest van herstel) onvoldoende is.
Die motivering bestond er in de kern in dat de verzekerde onvoldoende behandeling had gezocht voor zijn psychische klachten. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat het enkele niet zoeken van een behandeling zou betekenen dat de klachten niet ernstig zijn. Er kunnen immers andere redenen zijn waarom geen behandeling wordt gezocht, waaronder de ernst van de klachten die bij een betrokkene spelen.
Belangrijk punt daarbij is volgens de bestuursrechter van de rechtbank Overijssel dat de verzekerde inmiddels zijn behandeling kennelijk wel weer is gestart op verwijzing van zijn huisarts. Dat die verwijzing nog niet heeft geleid tot een daadwerkelijke start van een behandeling, is mogelijk het gevolg van lange wachtlijsten bij GGZ-instellingen. Uit deze omstandigheden kan volgens de rechter niet worden afgeleid dat de klachten niet tot arbeidsongeschiktheid zouden kunnen leiden. Kortom: de beëindiging van de Ziektewetuitkering is door het UWV onvoldoende gemotiveerd.
De rechter tikt daarom het UWV op de vingers: het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Het UWV moet een nieuwe beslissing nemen op het bezwaar van de verzekerde met psychische klachten.
Slotsom: het enkele feit dat iemand geen behandeling heeft (gezocht), betekent niet dat geen sprake is van beperkingen die tot arbeidsongeschiktheid kunnen leiden. Sterker nog: zeker bij psychische beperkingen kan het vermijden van een behandeling ook onderdeel zijn van het ziektebeeld.
